Een psychologisch onderzoek: “Ik ben toch niet gek?!”

Het komt regelmatig voor dat zowel ouders als kinderen schrikken van de woorden ‘psychologisch onderzoek’. Gedachten als “er is toch niks mis met mijn kind?” of “ik ben toch niet gek?!” zijn hierbij niet uitzonderlijk. Dit soort reacties brengen een aantal misvattingen aan het licht, waarop ik in deze blog zal ingaan.

Wat gebeurt er eigenlijk tijdens een psychologisch onderzoek?

Om in te kunnen gaan op de misvattingen rondom een psychologisch onderzoek, is het belangrijk om te weten wat het nou eigenlijk inhoudt. Aangezien ieder kind anders is, verschilt het ook per kind wat interessant is om te onderzoeken.

Iets dat vaak wordt onderzocht, is het intelligentieprofiel. Aan de hand van verschillende taken wordt nauwkeurig in kaart gebracht waar het kind sterk of juist wat zwakker in is. De resultaten worden uitgedrukt in zowel een totale IQ-score als in tien sub-componenten van intelligentie. Een paar voorbeelden hiervan zijn het verbaal begrip, het werkgeheugen en de verwerkingssnelheid.

Voor een uitgebreider onderzoek naar de sterke en zwakkere kanten van een kind, kan ook gekeken worden naar de cognitieve functies. Hieronder vallen onder andere het geheugen, de executieve functies en de concentratie. Tot slot kunnen er vermoedens zijn van een specifieke diagnose, zoals een hechtingsstoornis, een stemmingsstoornis of ADHD. In dat geval kan het waardevol zijn om hier extra onderzoek naar te doen, aan de hand van bestaande gevalideerde taken en vragenlijsten.

Drie misvattingen over psychologisch onderzoek

Hoe wordt er doorgaans aangekeken tegen psychologisch onderzoek? Hoewel een rijkheid aan ervaring en wetenschappelijke kennis ons tegenwoordig wijst op het nut ervan, bestaan er toch nog een aantal misvattingen. Drie van de meest-gehoorde misvattingen zijn:

1. “Een psychologisch onderzoek betekent dat je ‘gek’ of ‘raar’ bent.

2. “Het doel van een psychologisch onderzoek is om labels te kunnen plakken.”

3. “Op basis van de resultaten kan iemand in een hokje worden geplaatst.”

Wat hebben deze drie aannames met elkaar gemeen? Alle drie wijzen ze op de onderliggende aanname dat een psychologisch onderzoek onderscheid maakt tussen ‘normale’ en ‘abnormale’ mensen. En dit maakt men onzeker en angstig. Want wanneer we ‘abnormaal’ zijn, horen we er niet meer bij, is de hierop volgende aanname.

Mijn doel van deze blog is om uit te leggen waarom deze aannames misvattingen zijn, die ons ervan kunnen weerhouden te profiteren van de waarde van psychologisch onderzoek.

 Wat is de waarde van psychologisch onderzoek?

Ieder kind is uniek en heeft een samenstelling van eigenschappen en ervaringen die hem of haar ‘anders’ maken. Daarbij komt dat ook ieder kind – net als volwassenen – onzekerheden heeft, wel eens worstelt met dingen en door moeilijke periodes kan gaan. Bij sommige kinderen kan dit aanleiding geven tot behoefte aan extra zorg en ondersteuning. Maar hoe kunnen we weten wat het kind precies nodig heeft?

Aan de hand van een psychologisch onderzoek worden de unieke kenmerken van een kind in kaart gebracht. Dit draagt bij aan het begrip van het kind, zijn of haar moeilijkheden en waarom hij of zij in sommige situaties op een bepaalde manier kan reageren. Maar ook laat het zien waar de sterke kanten van een kind liggen, waar deze veerkracht uit kan halen en hoe deze op zijn of haar eigen manier het beste met de wereld om kan gaan. Dit is niet alleen waardevol om richting en vorm te kunnen geven aan een passend begeleidings- of behandeltraject. Het draagt ook bij aan het begrip van zowel het kind als de ouders: dit geeft aanknopingspunten voor hoe er thuis en op school het beste met het kind kan worden omgegaan.

Hoewel sommige psychologische onderzoeken kunnen uitmonden in een diagnose, is het doel dus niet om labels te plakken of het kind in een hokje te plaatsen. Sterker nog, een psychologisch onderzoek geeft juist een realistisch en genuanceerd beeld van het kind.

Waarom worden labels dan toch soms gegeven? Labels, ofwel diagnoses, hebben een communicatieve waarde. Hoewel het label op zichzelf ongenuanceerd is, kan het wel op een efficiënte manier richting en structuur geven aan de communicatie tussen zorgprofessionals. Bovendien is ieder label geassocieerd met een rijkheid aan kennis en methoden. Het label op zichzelf geeft dus niet weer wie (of “wat”) een kind is: het geeft slechts richting.

Om terug te komen op de vraag uit de titel van deze blog “Ik ben toch niet gek?!”: het antwoord is inderdaad dat een psychologisch onderzoek niet betekent dat je gek bent. Maar laten we wel wezen, iedereen is op zijn eigen manier een beetje gek. En gelukkig maar.